Samenvatting
Mag werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer ontbinden, omdat werknemer zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden door vertrouwelijke informatie, zoals de inhoud van en de gang van zaken bij de instemmingsaanvraag en de inhoud van de gesprekken die in dat kader tussen bestuurder en OR en OR-leden onderling werden gevoerd, mee te delen aan zijn collega apothekers? (ECLI:NL:RBMNE:2016:4080, JAR 2016/204 ).

Uitspraak kantonrechter Utrecht: Nee, hoewel de wijze waarop de werknemer heeft gerapporteerd aan ‘zijn achterban’ verder gaat dan wat reeds binnen de onderneming bekend mocht worden verondersteld, heeft werknemer met zijn mededelingen echter geen zaken- of bedrijfsgeheimen van werkgever geopenbaard.

Situatie

Er is een gemeenschappelijke OR ingesteld door X Apotheken Nederland B.V. (waar werkgever ook onder valt). Daarnaast is er een COR ingesteld op het niveau van X B.V. Werknemer is in dienst in de functie van tweede apotheker en daarnaast lid van de OR. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen van werknemer. Werkgever onderbouwt het verzoek door te stellen dat werknemer zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door vertrouwelijke informatie, zoals de inhoud van en de gang van zaken bij de instemmingsaanvraag pensioenen en de inhoud van de gesprekken die in het kader van die instemmingsaanvraag tussen bestuurder en OR en OR-leden onderling werden gevoerd, mee te delen aan zijn collega apothekers. Werknemer verweert zich door te stellen dat het ontbindingsverzoek direct verband houdt met zijn werkzaamheden als lid van de OR.

Kantonrechter
Werknemer heeft betwist dat hij enige geheimhoudingsplicht heeft geschonden, waarbij hij heeft aangevoerd dat hetgeen hij heeft meegedeeld, niet verdergaat dan hetgeen al bekend was althans bekend had kunnen zijn bij de betreffende collega’s. De kantonrechter volgt werknemer niet in dit verweer. De wijze waarop hij heeft gerapporteerd aan ‘zijn achterban’, zoals hij dat heeft omschreven, gaat namelijk verder dan dat, doordat hij bijvoorbeeld niet alleen de status maar ook de inhoud van een door de ondernemer ingediende instemmingsaanvraag heeft besproken. Zijn mededelingen gaan ook verder dan de gebruikelijke wijze van informeren via de nieuwsbrief van de OR waarin (enkel) het feit dát een instemmingsaanvraag is ingediend normaalgesproken wordt genoemd. Daarbij heeft werknemer ook zijn eigen mening gegeven en kritiek geuit op de bestuurder en uitlatingen gedaan over de verhoudingen binnen de OR en tussen het bestuur en de OR.

De kantonrechter overweegt dat werkgever heeft erkend dat niet specifiek geheimhouding was opgelegd ten aanzien van de aangelegenheden waarover werknemer volgens werkgever ten onrechte heeft bericht aan zijn collega’s. De vraag is dus enkel of werknemer met zijn mededelingen zaken- of bedrijfsgeheimen van werkgever heeft geopenbaard. Daarvan is geen sprake. De kantonrechter overweegt dat geen van deze onderwerpen naar hun aard te kwalificeren zijn als zaken- of bedrijfsgeheimen. Bij zaken- of bedrijfsgeheimen kan gedacht worden aan productiemethoden, investeringsplannen, onderzoek of adressen. Verder zullen onder de geheimhoudingsplicht vallen aangelegenheden die uit concurrentieoverwegingen of wettelijke voorschriften niet openbaar gemaakt mogen worden.

De onderwerpen waar werknemer zijn collega apothekers over heeft geïnformeerd en geraadpleegd betreffen weliswaar aangelegenheden die binnen de onderneming spelen, maar zijn organisatorisch van aard. Hiervan kan niet worden gezegd dat die concurrentiegevoelig zijn. Nu ten aanzien van de betreffende aangelegenheden geen geheimhouding was opgelegd en evenmin sprake is van zaken- of bedrijfsgeheimen kan van een schending door werknemer van artikel 20 WOR geen sprake zijn. De situatie in het in dit verband door werkgever genoemde arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2013, JAR 2013/274, is verder naar het oordeel van de kantonrechter niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

De vraag resteert nu of de mededelingen van werknemer in strijd zijn met de meer algemene verplichting uit artikel 7:611 BW om zich als goed werknemer te gedragen (arrest Querijns/TGB, HR 26 oktober 2012, LJN BW9244, JAR 2012/313). De kantonrechter stelt voorop dat juist gelet op de hiervoor besproken specifieke bepaling voor OR-leden ten aanzien van geheimhouding, niet snel kan worden aangenomen dat een gedraging die daarmee niet in strijd is wél strijd oplevert met de algemene norm uit artikel 7:611 BW. Voorstelbaar is dit bijvoorbeeld indien de wijze van communiceren naar zijn aard bijzonder kwalijk is en/of geheel los van het OR-lidmaatschap staat, in welk geval de gedraging als een schending van de door de werknemer in acht te nemen discretie en loyaliteit jegens de werkgever kan worden gekwalificeerd. Dat hiervan sprake is, is door werkgever onvoldoende onderbouwd. Het onderhavige geval verschilt bovendien ook van die uit het voormelde arrest, nu werknemer geen misstanden binnen de organisatie kenbaar heeft gemaakt naar personen buiten de organisatie. Er is geen sprake van een schending van een geheimhoudingsplicht door werknemer. De door werkgever op die schending gestoelde ontbindingsgrond van verwijtbaar handelen door werknemer is daarmee niet komen vast te staan. Ten aanzien van de door werkgever gestelde ontbindingsgrond bedoeld onder artikel 7:669 lid 3 onder g heeft te gelden dat ook daar een voldoende (zelfstandige) onderbouwing voor ontbreekt. Partijen twisten verder over de vraag of een opzegverbod in de weg staat aan de verzochte ontbinding. Uitgaande van de veronderstelling dat de gedragingen van werknemer wél voldoende aanleiding zouden zijn voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, dan is de kantonrechter van oordeel dat alsnog het lidmaatschap van werknemer van de OR aan de verzochte ontbinding in de weg staat. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

Datum uitspraak:         20 juli 2016
Rechterlijk College:      Kantonrechter Utrecht
Partijen:                       X Apotheken - Werknemer
Vindplaats:                  ECLI:NL:RBMNE:2016:4080, JAR 2016/204  

Sprengers Advocaten Utrecht